Voorbij verboden land

“Het waait!” roept Joost, terwijl hij zijn hoofd uit het kajuitluik steekt. Vlug eten we ons ontbijt op en om 10.00 uur gooien we los. Een maand na ons eerste vertrek uit Scheveningen vertrekken we op 13 juli opnieuw uit onze thuishaven. Maar nu écht! Voor het gemak denken we onze zwaaiende vrienden op de havenhoofden erbij. We zetten zeil en koersen naar het zuidwesten. Frankrijk, we komen eraan! Croissants, Franse kaasjes en wijn, da’s pas fijn. Voor we het weten zijn we bij de Maasmonding. We bespreken nog één keer of we kiezen voor de route langs de Engelse of toch de Belgische kust. Gevoelsmatig is de route langs België het meest logisch. Daarnaast biedt die route uitwijkmogelijkheden onderweg. Wel moeten we dan ’s nachts tussen de zandbanken door die daar voor de kust liggen en verschillende grotere en kleinere havens passeren. Aangezien we mikken op Brest, is de route via de Engelse kust korter. Ook hebben we gunstigere wind als we voor die route kiezen. De nadelen zijn dat we twee keer de Noordzee moeten oversteken wat betekent dat we verschillende verkeersroutes van grote scheepvaart moeten oversteken. En, we mogen in Engeland niet zomaar aan land. We moeten dan dus echt in één keer door. Toch besluiten we voor de laatste optie te kiezen. We willen immers mijlen maken en de weersverwachting ziet er, zeker voor de eerste twee etmalen, heel gunstig uit.

We vliegen over het water. We zien op een gegeven moment 10 knopen (SOG) op de snelheidsmeter flitsen. Dat schiet lekker op. Tegen de avond zien we windmolenpark Borsele opdoemen. Hier mogen we niet doorheen. Er zit dus niets anders op dan op te sturen naar een aan-de-windse koers. Erg comfortabel zeilt dat niet. We bespreken wat we zullen eten. Wat rijst met zoetzure saus en cashews klinkt het minst onaantrekkelijk op het moment. Dus ik ga de keuken in, zet zo goed en kwaad als het gaat water op en geef de groente naar buiten aan. Binnen wil je namelijk op het moment het liefst zo kort mogelijk zijn. Joost snijdt op zijn knieën op de kuipvloer de groente. “Ik ga toch even zelf sturen”, zegt hij als hij bijna klaar is met de groente. “Ik voel me niet zo lekker.” Ik roer nog snel even in de pan, zet het vuur uit en vlucht dan ook weer naar buiten. “Ik ga denk ik even liggen”, zeg ik terwijl ik me opkrul op de kuipbank. Ik voel me ook niet 100 punten en weet dat dat meestal snel wegtrekt als ik plat ga. Een dik half uur later word ik wakker. Ik kijk door het raampje van de WC naar binnen en zie Joost boven de pot hangen. “Kan ik iets voor je doen?”, vraag ik. “Neuh, zorg jij maar dat je fit blijft”, zegt Joost. Als alles eruit is, kruipt ‘ie met een kussen op de kajuitvloer. “Ik wilde alleen even wat warms aantrekken, maar dat ging toch niet helemaal goed”, zegt ‘ie. “Ik blijf hier maar even liggen geloof ik: hier beweegt de boot het minst.” Ik voel me gelukkig weer prima en zeil de boot verder. We zijn inmiddels om het windmolenpark heen en moeten nu juist zo ruim mogelijk sturen. De golven zijn inmiddels behoorlijk opgebouwd en we rollen daardoor flink. Ik zet een bulletalie en stuur naar het volgende waypoint. Uiteindelijk eet ik alsnog wat van de rijst en ga automatisch de eerste wacht in. Rond een uur of 23.00 uur wordt Joost weer wakker. Het slapen lijkt geholpen te hebben dus na een tijdje neemt hij de wacht van me over. Zo varen we de nacht in.

De volgende dag hebben we prachtig weer. De wind is wat afgenomen en de zon schijnt. In plaats van zeilpakken kunnen we nu onze korte broeken aan. We genieten op afstand van de Engelse krijtrotsen en steken aan het einde van de dag opnieuw de Noordzee over. Joost roept een zeeschip op, omdat we niet goed weten of we voor of achter hem langs zullen gaan. “No sir, keep course and speed. I’ll go behind you”, zegt een vriendelijke Ier door de marifoon. “We’ll cross in 0,5 mile distance.” Dat laatste hadden we zelf ook gezien op de AIS, maar toch fijn om even bevestigd te krijgen dat hij ons in de smiezen had. Na een nacht vol met sterren bereiken we de volgende dag de Franse kust. Precies op het verkeerde moment willen we langs de zogenaamde Race van Alderney. Sanne van de Giramondo had ons er nog voor gewaarschuwd: het stroomt daar hard. Helaas is het lastig om op zo’n lange overtocht precies te timen wanneer je ergens aankomt. We liggen daarom een paar uur naar de Normandische kust en Alderney, het eerste Kanaaleiland, te kijken. Als we zien dat we ook achteruit gaan, zetten we toch de motor maar aan. Zonder wind varen we voorbij Alderney. Na een tijdje waait het toch weer wat. We zeilen dus verder. Als de stroming ervoor zorgt dat we recht op Guernsey afvaren, kiezen we ervoor dicht langs het eiland te varen. Toch even kijken wat we missen nu we niet aan mogen leggen op dit Engelse eiland. Vlak voor Guernsey houdt de wind er opnieuw mee op. Als we bij het eiland zijn, stel ik voor om toch voor anker te gaan in Havelet bay. Op die manier kunnen we wachten op meer wind, stroming uit de juiste richting en wat slapen. We twijfelen nog even, maar laten dan toch het anker vallen. De vlag haalt Joost voor de zekerheid maar binnen. We eten wat, bekijken het eiland vanuit de kuip en kruipen dan snel ons nest in.

Na een nacht van meer dan 8 uur voelen we ons herboren. We zetten in alle vroegte zeil en verlaten stilletjes het verboden (ei)land. Vol goede moed koersen we naar de Bretonse Westkaap. Met gennaker, zonder gennaker, met grootzeil en zonder grootzeil, genua uitgeboomd etc. We proberen van alles, maar de wind wil niet meewerken. Rond de lunch gaat opnieuw de motor aan. We verleggen onze koers naar de Rivière de Tréguier om niet alsnog een nacht rond te dobberen. Geen Brest, maar we zijn in la douce France!

Voor anker op de Franse rivier

6 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.