Gespetter & geknetter

Na de eerste nacht op Frans water, verplaatsen we ons stukje bij beetje verder naar het westen. We willen wel in één keer door, maar de wind laat het nog steeds afweten. Zo belanden we in de hoofdstad van het roze graniet, Trégastel, en een dag later op de rivier L’Aber Wrac’h. Hier willen we een nachtje in een haven liggen om al onze voorraden aan te vullen. Bij aankomst zien we dat andere boten gestapeld aan de steigers liggen. Daar hebben we geen zin in. We besluiten daarom een stukje verderop voor anker te gaan. De volgende ochtend, als alle boten vertrokken zijn, leggen we alsnog aan. We krijgen toestemming van de jonge vriendelijke havenmeester om een uurtje te blijven liggen om boodschappen te doen. We voelen ons daarnaast zo vrij om ook onze watertanks te vullen en onszelf in te zepen en af te spoelen onder de slang op de steiger. Want het is heet! Gauw het water op dus.

“Wat was dat?! Ik zag iets, daar in het water!” Joost tuurt in de richting die ik op wijs. “Ik zag niks”, zegt ‘ie. “Daar, nog een keer!”, zeg ik, terwijl ik in dezelfde richting blijf wijzen. We moeten tegen de zon in kijken, maar ik dacht toch echt iets te zien. Kan dat echt hier al? Het zou voor ons de allereerste keer zijn… En ja hoor, nu ziet Joost het ook duidelijk: er komen vinnen boven het water uit. “Jooaah, het zijn dolfijnen!”, roepen we tegen elkaar. Eén van de dolfijnen is nieuwsgierig en komt onze kant op. Een tijdje speelt ‘ie in onze boeggolf en zwemt een paar rondjes om- en onder onze boot door. Wij snellen ondertussen van de ene naar de andere kant van de boot om over de reling te hangen. Ademloos kijken we naar z’n trucs. Dan, even snel als ‘ie onze kant op kwam, neemt de dolfijn weer afscheid en zwemt terug naar z’n maatjes. “Wow, dat was echt gaaf!”, zuchten we. We zijn onderweg naar het meest westelijke eiland van Frankrijk: Ouessant. Rond de rotspartijen tussen het vasteland en het eiland zien én voelen we enorme stroomrafelingen. Van 3,5 knoop stroom mee, hebben we ineens een halve knoop stroom tegen. Daar zit vast veel vis: een ideale plek voor dolfijnen.

Nog steeds een beetje euforisch laten we het anker zakken in de Baie de Lampaul op Ouessant. Je moet mazzel hebben met het weer om in deze baai te kunnen liggen. Met zuidwestenwind (die hier vaak waait) rolt de Atlantische Oceaan zo deze baai binnen. Dankbaar maken we gebruik van de wind die de volgende dagen uit noordelijke richtingen blijft waaien. We liggen prachtig beschut achter het hoge eiland, met in het zuidwesten uitzicht op de open oceaan. We zien de zon ondergaan en besluiten dat het bedtijd is. Ik ga vast naar binnen en hoor dan een raar geluid. Ongerust kijk ik Joost aan: “Wat is dat nou?”. Het is een soort getik of geknetter. Voor de grap zeg ik dat we de aluminium Ovni naast ons aan het “opeten” zijn met ons stalen schip. Toch trek ik voor de zekerheid wat kastjes open, maar daar komt het geluid niet vandaan. We halen de motorruimte open, maar ook daar wordt het geluid niet per se heel veel harder. Joost werpt een blik op de accumonitor en roept ineens: “F*ck, het is kortsluiting! Ik zie 230 ampère op de monitor!”. Snel zet hij de hoofdschakelaars van de accu’s om. “Oké, we moet bij de accu’s”, zegt Joost, “alles moet aan de kant.” Inmiddels is het donker. We hebben geen licht zonder accu’s, dus we redden ons met zaklampen en hoofdlampjes. Joost haalt de achterhut leeg, die tot de nok toe gevuld ligt met spullen, en ik leg in de voorhut onze matrassen aan de kant. Het geluid wordt onder ons bed iets harder. Voorzicht haal ik het deksel van de accukist: niks. Het geluid komt hier niet vandaan, de accu’s zijn niet heet en ik ruik niks vreemds. Gelukkig, deze accu’s zijn het niet. Joost is ondertussen ook achter zover, maar ook daar niks verdachts. “Hè, hoe kan dit nou?”, zeggen we tegen elkaar. Joost stelt voor om toch alle bekabeling van de accu’s los te halen, maar ook dat verandert niets aan het geluid. De accumonitor geeft inmiddels een normale waarde aan. “Misschien zag ik het wel verkeerd”, zegt Joost, “was het geen 230 ampère, maar maar 2.30 ampère”. We zijn blij dat onze nieuwe accu’s niet naar de knoppen zijn, maar het geluid houdt niet op. Het lijkt wel alsof we in een zee van knetterijsjes liggen als we de vloerdelen opgetild hebben. We denken na over wat het dan kan zijn. Het geluid is harder bij de romp. “Misschien komt het geluid wel gewoon van buiten, uit het water?”, zeg ik wat vertwijfeld. “We liggen vlakbij een fish farm. Misschien is dat het?” Buiten en binnen is het inmiddels één grote chaos. Overal liggen spullen. Mijn oogleden voelen steeds zwaarder aan. Uiteindelijk besluiten we om het te laten en te gaan slapen. De volgende ochtend drijven we nog.

Ook de dagen daarna is er niks geks aan de hand met de boot. Het is prachtig weer. We fietsen over het eiland, zwemmen in het veel te koude water en wandelen langs de ruige rotskusten en vuurtorens. Het eiland schijnt meer vuurtorens te hebben dan elk ander eiland: vijf maar liefst. Na een paar dagen op en rond het eiland snappen we dat wel: overal waar je kijkt, liggen verraderlijke rotspartijen. Daarnaast hebben de Atlantische Oceaan en het weer er vrij spel. Het moet hier verdomd lastig navigeren zijn geweest vroeger. We lopen langs het vuurtorenmuseum als het al gesloten is. Daarom lezen we in de Vaarwijzer van Clemens Kok over de vuurtorens langs de Bretonse kust. Veel werden in de 19e eeuw gebouwd. Een behoorlijk aantal werd niet op land neergezet, maar middenin de oceaan op een rots. Levensgevaarlijk werk. Zo werd La Jument gebouwd op een rots die met hoogwater helemaal onderwater staat en met laagwater maar één meter boven water uitkomt. Een rots op een plek waar de stroming rond het eiland daarbij op zijn gevaarlijkst is. De bouw duurde dan ook bijna zeven jaar. Vuurtorenwachters moeten hier trouwens ook doodsangsten uitgestaan hebben in stormen. Gelukkig hebben wij geen last van storm. Maar wat het geluid nou was? We weten het nog steeds niet zeker…

8 reacties

  1. Dankjewel voor het delen van jullie avontuur! Prachtig ook jullie (eerste) ontmoeting met dolfijnen. Goede reis verder! Groet, Dim (vriend van Tonko)

  2. Wow wat vet die dolfijnen! Wij zongen vroeger heel hard op zee want mijn moeder zei dat dolfijnen muzikaal zijn… en kregen daardoor(?) vaak bezoek van dolfijnen. Maar Bach hard aan zetten helpt vast ook 😉

  3. Dit zegt Google: ‘Haringen hebben misschien wel de meest verrassende manier om met elkaar te ‘praten’. Ze doen dat door winden te laten. De vissen persen minuscule luchtbelletjes uit hun anus naar buiten. Dat gebeurt meerdere keren achter elkaar, wat resulteert in een knetterend geluid dat ook voor mensen hoorbaar is.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.