Op avontuur

“Wil je echt hier naar beneden?” Voor ons ligt een stijl pad omlaag met losliggend steenpuin. “Weet je zeker dat het niet doodloopt?” Joost is ondertussen al halverwege het pad. “Ja, ik weet het niet 100% zeker, maar het lijkt op de satellietbeelden van Google Maps alsof het pad wel weer terugloopt naar de weg”, zegt Joost terwijl die nog één keer op z’n telefoon kijkt. “En anders vinden we wel een manier om terug te komen. Kom, we gaan op avontuur!” Hij draait zich alweer om en schuift neuriënd verder naar beneden. Ik twijfel nog steeds een beetje. Ik voel blaren opkomen en heb er geen trek in om 4 km af te dalen om vervolgens tot de conclusie te komen dat we weer 4 km terug moeten om dan nog eens 7 km te lopen. Aan de andere kant: het alternatief is langs dezelfde asfaltweg terug als we gekomen zijn. Ik besluit dat de blaren maar even pech hebben en glij achter Joost aan het puin af. We zijn vanaf het dorpje Cedeira richting het vuurtorentje gelopen dat we dag ervoor vanaf het water zagen. Het leek een prachtige wandeltocht vanaf het water, maar in de praktijk blijkt dat we gewoon over een autoweg door de aangeplante bossen lopen. Het is heerlijk om in de schaduw te lopen, maar erg veel kust zien we niet. Daarnaast horen we op de achtergrond constant het gebrom van de kettingzagen. Het is duidelijk dat ze hier aan bosbouw doen.

Het pad dat we voor de terugweg nemen, lijkt onlangs gemaakt te zijn om met groot materieel bomen te kunnen kappen. Het is dus de vraag waar we uitkomen. Halverwege verdwijnt het puin en lopen we over dennennaalden verder. “Hé kijk, hier staan weer van die gele en witte pijlen op een steen”, zeg ik. Na een tijdje ontdekken we zelfs een bordje met dezelfde kleuren en Ruta Terras de Cedeira. “Het is dus tóch een wandelroute”, zegt Joost in zijn nopjes. De route lijkt alleen niet erg veel gebruikt te worden. Nog steeds tussen de bomen, maar nu mét prachtig uitzicht over de kliffen, lopen we verder. Dan wordt het pad een stuk smaller. Het lijkt alsof het pad alsnog doodloopt op een diepe kloof. Oh oh… Een tikkeltje ongerust loop ik vast vooruit om te zien waar het pad heengaat. Ik wenk Joost: “We kunnen toch verder. Kijk, daar lopen we die kloof in en kun je omhoog langs een touw!” We klauteren omhoog en kijken langs een steile helling naar het water dat beneden op de rotsen slaat. Nog een paar keer lopen we van een kaap naar een kloof en dan ineens komen we op de asfaltweg uit. Gehaald! We geven elkaar een high-five. “Ouwe padvinder”, zeg ik grijnzend tegen Joost. Langs een kapelletje en het oude kasteel zoeken we een laatste short cut naar de haven. Eenmaal op de boot drinken we een welverdiend colaatje en gaan de beentjes omhoog. “Hmm.. misschien moeten we die douche op het strand en boodschappen maar laten zitten”, zegt Joost met gezicht in de zon en z’n ogen dicht. “We kunnen nog wel iets koken met wat we nog over hebben en douchen kan morgen ook”, zeg ik. “Dus dat lijkt me een prima plan.”

We liggen op de Ria de Cedeira. De eerste nacht is erg onrustig. De noordoosten wind tunnelt door het dal en zorgt op de ankerplek voor vlagen van 30 knopen. De Franse buurman die benedenwinds van ons lag, ligt de volgende ochtend niet meer op dezelfde plek. In eerste instantie denk ik nog dat hij aan de kade met vissersboten is gaan liggen. Maar als ik nog eens goed kijk, zie ik dat hij daar niet vrijwillig ligt. Hij ligt op de betonblokken van het havenhoofd en met allerlei landvasten en stootwillen proberen omstanders hem te helpen. Met hoogwater komt hij gelukkig weer los met behulp van een klein vissersbootje. Als we wat later met ons rubberbootje even langsvaren, zien we dat er een paar flinke krassen op z’n romp zitten. We vragen of we iets voor hem mee kunnen nemen uit het dorp, maar hij is aan de telefoon en lijkt nog niet helemaal helder na te kunnen denken. We nemen dus afscheid en wensen ‘m succes.

De dagen erna is het zo goed als windstil. We kunnen dus niet verder zeilen en blijven daarom een kleine week liggen. We lezen wat, luieren en doen wat kleine klusjes. Ondanks het gebrek aan wind, komen en gaan er regelmatig andere zeilboten. Zelfs als er dikke flarden mist de baai binnentrekken. De mist is een prachtig gezicht, maar we zetten voor de zekerheid de AIS toch maar aan die avond.

“Er komt zuidenwind aan en wat frontjes”, zegt Joost met een frons. Op de kaartentafel staat z’n laptop open met allerlei weerkaartjes. “Dus we kunnen hier nog een tijd blijven liggen, of toch nu maar verder op de motor. Dan liggen we in ieder geval weer even op een andere plek.” We besluiten naar A Coruña te varen. Dat is één van de grotere steden van Galicië en een plek waar veel zeilers een tussenstop maken van de Golf van Biskaje naar het zuiden. Hier hopen we dan ook een watersportwinkel te vinden en de mogelijkheid om nog wat andere inkopen te doen. Gewapend met twee vouwfietsen, drie fietstassen en een flinke boodschappenlijst fietsen we door de buitenwijken van de stad. Fietspaden veranderen zonder aankondiging in bushaltes en verdwijnen regelmatig helemaal. Tja, dan maar over de stoep? Of toch de weg? We steken over op de vreemdste plekken, maar niemand die er echt van op kijkt. We vinden grotendeels wat we zoeken. Echt mooi vinden we de stad alleen niet…

Als na twee weken alleen maar ankeren ons drinkwater echt op is, zoeken we voor een nachtje de marina op. Vanuit daar doen we nog een poging de stad te ontdekken. We zien nu dat we de vorige dagen een valse start hebben gemaakt door de stad via de achterdeur binnen te gaan. Er blijkt wel degelijk een mooi oud centrum te zijn en gezellige straatjes. Ook zit bij de marina onze redder in gas-nood. We werden de afgelopen dagen van het ene naar het andere adres gestuurd in onze zoektocht naar een gasvulstation. Bij duikcentrum Buseo Galicia doen ze niet moeilijk: “Nee hoor, geef maar hier. Dan kun je ze morgen weer gevuld ophalen.” Voor de zekerheid vragen we of er dan echt propaan in komt en geen zuurstof, maar dat is geen probleem. Zo gezegd, zo gedaan. We kunnen het bijna niet geloven, maar inderdaad, de volgende dag halen we twee gevulde gasflessen af. We kunnen de beste man wel zoenen. Met een gevulde boot en schoon gewassen bemanning verruilen we de marina weer voor ons inmiddels vertrouwde ankerstrandje: Playa de Orza. Het strandje is het toneel van zonaanbidders, maar vooral ook van mensen die aan hun conditie werken. Joost noemt het op den duur het ijsbeerstrand. Mensen marcheren heen en weer langs de vloedlijn, door het water voor extra weerstand of zelfs achteruit. Werkelijk alles wordt uit de kast getrokken om fit te blijven hier. Daarnaast komen ook langeafstandszwemmers, kleine open zeilbootjes en zelfs heuse plankzeilers voorbij. Het strand blijkt ook het windsurfstrand te zijn van de stad. Wij bekijken alles rustig vanuit de kuip en moedigen ze in stilte aan. Toch hebben we het ook hier na een kleine week wel weer gezien en kriebelt het om verder te gaan naar een iets rustigere plek: Islas Sisargas.

Islas Sisargas

Dit is een kleine eilanden archipel met als enige bewoners vogels, waaronder bijzondere meeuwen- en aalscholversoorten. Die laatste vogels vinden we er niet. Maar we horen als het ’s avonds al donker is wel andere vreemde vogels. We herkennen de roep niet en vragen versterking van de familie. Waarschijnlijk Jan van Genten, lezen we de volgende ochtend op de app. Weer wat geleerd!

7 reacties

  1. Met dat filmpje krijgen we hier goed beeld van jullie activiteiten. Leuk!
    Mooi plekje daar tussen die eilanden.
    Hoe was het snorkelen Joost? Wat bijzonders gezien?

    1. Nou, ik had een nieuw masker gekocht omdat die ik had niet goed aansloot. Dus het was vooral even proberen. Nog niets bijzonders gezien dus… Komende dagen eerst maar eens surfen (de golven van orkaan Larry komen hier nu aan land), daarna een keer wat langer proberen te snorkelen!

  2. Jaa meer vlogjes!!
    Mooi dat jullie ook een avontuurlijke wandeling gedaan hebben. Misschien was de reisleider minder betrouwbaar dan die van ons 😉
    Hasta Luego!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.