Indonesië

Hoewel we vanaf Thursday Island in theorie in één etmaal naar Indonesië zouden kunnen zeilen, hebben we een tocht van 1100 mijl voor de boeg, ruim een week varen. Indonesië is gigantisch, en we besluiten alvast een flink stuk naar het westen te varen. Naar Kupang, de hoofdstad van Timor. Hoewel er tussen zeilers veel wordt gesproken over grote vissersvloten, onverlichte obstakels en harde stromingen en wind, voelt het niet echt alsof we een grote oversteek gaan maken. De windrichting is al weken hetzelfde, we blijven de kust van Australië volgen, en hoge oceaangolven kunnen we op de Arafurazee en de Timorzee ook niet verwachten. We zitten er dan ook ontspannen bij als Thursday Island langzaam maar zeker achter de horizon verdwijnt.

Toch vergissen we ons weer eens in de grootte van Australië. De Golf van Carpentaria lijkt maar een baaitje, maar is vrijwel net zo groot als de noordzee. Niet zo gek dus dat we van daaruit nog een kruiszee moeten verwerken.

“Awa, Awa, this is Australian Borderforce Airplane…” Aan het eind van de middag krijgen we bezoek vanuit de lucht. Terwijl we wat routinevragen beantwoorden, waarop ze het antwoord eigenlijk al weten, scheert een vliegtuig laag over. Blijkbaar houden ze de zeestraat tussen Indonesië en Australië goed in de gaten. Het is ook de eerste keer dat ik onze thuishaven moet spellen, een tongbreker: Sierra, Charlie, Hotel, Echo, Victor, Echo, November, India, November, Golf, Echo, November.

Het is gek om te bedenken dat we dicht langs een vrijwel onbevolkte kustlijn varen. Door de geur van houtvuurtjes beelden we ons in dat het voor Abel Tasman een teken zou zijn geweest van bewoning van een nieuw te ontdekken continent. De werkelijkheid is iets minder romantisch. Het noorden van Australië wordt geteisterd door bosbranden. De zon verdwijnt achter een oranje nevel al vroeg voordat hij de horizon bereikt.

Over het algemeen hebben we een heerlijke oversteek over een rustige zee. Tot we tussen de eilanden Timor en Rote Indonesië binnenvaren. Zowel de wind als de zee wordt er tussen de eilanden door geperst. Dus varen we in een zee van brekers met 35 knopen wind van achter de zonsondergang tegemoet. We zeilen langs zeilende visserschepen, scheepjes met knallende motoren en op de kant zien we rieten huisjes onder wuivende palmbomen. Ook hier ruiken we weer die romantische houtvuurtjes. Dat is ten dele waar, maar het is ook veel afval dat op straat wordt verbrand.

We halen het helaas net niet om voor donker te ankeren. Maar, we hebben geen andere keus dan door te varen. Uit de stad Kupang ruiken we de kruidige geuren, horen we het getoeter van de brommers en het geschal van de moskeeën. Zo goed als het gaat, zoeken we onze weg langs de fish farms en schaars of juist veel te fel verlichte scheepvaart, en laten het anker vallen in de buurt van een gammele betonnen pier. Benieuwd wat we zien als we morgen wakker worden. In ieder geval zal dat een totaal andere wereld zijn dan Australië.

Inklaren

We moeten een dagje verplicht aan boord blijven omdat we op zondag niet kunnen inklaren. Dit is niet erg, want zo kunnen we even bijkomen van de oversteek voordat we ons meteen in de chaos van een Indonesische stad storten. Ondertussen hebben we een mooi uitzicht op de stad en de dagjesmensen die de pier bezoeken.

We hebben bewust gekozen om het inklaringsproces zonder agent te doen. Zo weten we zeker dat we niet bijdragen aan de corruptie, scheelt het ons een hoop geld en ervaren we de bureaucratie zoals die werkelijk is: chaotisch en langdurig. Maar wat ons betreft hoort dat bij het avontuur en bij reizen.

Gelukkig komen we maandagochtend al een quarantaine beambte tegen op het strand die belooft collega’s op te trommelen om onze boot te bezoeken. Dat scheelt alvast een ritje naar hun kantoor. Terwijl we wachten, regelen we vast een taxi voor de rest van de dag via een vrolijk groepje lokale bewoners. Zij hebben de verantwoordelijkheid op zich genomen om bezoekende jachten op te vangen. Zo gaat het eigenlijk in heel Indonesië. Binnen no-time heb je zo geregeld wat je nodig hebt: taxi, scooterhuur, toeristeninformatie, water, boodschappen, etc. En het levert leuke contacten op met lokale mensen die op deze manier ook zelf aan toeristen kunnen verdienen.

Quarantaine komt met een flinke delegatie. Twee dames en twee meisjes die net van school afkomen en het nog moeten leren. Met z’n zessen proppen we ons in de dinghy terug naar onze boot die flink stuitert in de golven die er inmiddels staan. Dat helpt, want de ambtenaren willen daardoor zo snel mogelijk weer van boord. Terwijl ik geboden wordt om vooral zo snel mogelijk 15 formulieren te ondertekenen en te stempelen, maakt Marrit binnen wat foto’s van een ambtenaar die schijnbaar serieus een inspectie uitvoert. Dan nog een foto van een ambtenaar die de gele quarantaine-vlag naar beneden haalt en de show zit erop.

En zo gaat het de rest van de dag. Alle ambtenaren zijn vrolijk en hartelijk, doen hun best om je zo goed mogelijk te helpen en moeten vooral aan hun meerdere kunnen laten zien dat ze hun werk hebben gedaan. Kriskras rijden we door de stad langs de verschillende kantoren, vol met vlaggen, certificaten en ambtenaren in uniform. Quarantaine heeft het boekwerk voor ons nog niet af en de chef ter plaatse probeert ons nog wat extra geld te laten betalen. Dan gaan we door naar de douane om een afspraak te maken voor een bootbezoek, vervolgens naar immigratie die dan eigenlijk eerst documenten nodig heeft van douane. Maar daar bluffen we ons doorheen, want, “nieuw systeem”. Het helpt dat zij snel willen lunchen, dus onze paspoort worden toch gestempeld. Dan zelf lunchen, douane aan boord halen die voor de show nog wat controleert. Terug naar quarantaine om nu wel de juiste papieren in ontvangst te nemen. Bij het kantoor van de douane blijkt de hoge pief die de stempels moet zetten al naar huis, dus morgen terugkomen. Dan nog “even” langs de telecomwinkel voor een telefoonregistratie en lokale simkaart. Anderhalf uur later staan we pas buiten.

De volgende dag weer langs de douane. De formulieren met stempels liggen dit keer al voor ons klaar. We bezoeken het naastgelegen museum waar we een uitgebreide rondleiding krijgen van een officiële meneer en een delegatie studenten. Dan langs de markt voor boodschappen en tot slot nog langs één ander loket: dat van de havenmeester. In een klein, betonnen gebouwtje treffen we aan het eind van de vervallen betonnen pier zes ambtenaren aan. Zodra we binnenkomen, wordt snel de lunch van tafel geveegd en de tv uitgezet. Het hokje hangt vol sigarettenrook. Een slonzige man achter een groot bureau stuurt al rokend de anderen aan om onze documenten te behandelen, terwijl hijzelf vertelt hoe belangrijk en moeilijk zijn werk wel niet is. Hij probeert ons nog wat presentjes af te troggelen, maar daar gaan we niet op in. Na anderhalve dag hebben we een flinke stapel gestempelde papieren en zijn we vrij om door Indonesië te reizen.

Surfen op Rote

Onze eerste bestemming in Indonesië is Rote Island. We laten het anker vallen tussen tientallen zogenoemde “spider boats”. Trimarans die met touwtjes aan elkaar hangen. Elke avond varen ze uit om de hele nacht op inktvis te vissen. De surfguide belooft hier een eindeloze golf met weinig toeristen naast een dorpje met barretjes en restaurantje in een ontspannen setting. Dat laatste is in ieder geval waar. Dat eerste valt een beetje tegen. De swell is heel laag als we aankomen, en zodra deze wat toeneemt, stromen ook de surfende toeristen toe. Toch lukt het om tussendoor wat lekkere golven te surfen. Het dorpje is een fijne plek. We genieten van het heerlijke Indonesische eten en verkennen de rest van het eiland met een gehuurde scooter.

Het paradijs

Als we langs de stranden van Suwa varen zien we kleine dorpjes die bestaan uit rieten huisjes. Met ondergaande zon draaien we de ankerbaai in van Seba. Het is eigenlijk meer een opening in het rif. Aan weerszijde van de baai krullen er golven over het ondiepe koraal.

Het was een gokje om Nembrala te verlaten, omdat daar de golven steeds beter werden. Maar wie niet waagt, wie niet wint. De eerste dag heb ik deze spot voor mezelf en pak ik de ene na de andere golf. De kwaliteit ervan is zeker minder, maar de setting maakt alles meer dan goed.

In de dagen die volgen leren we de andere zeilers in de baai kennen. Samen genieten we van de golven en delen het kampvuur bij zonsondergang met mensen uit het dorp. Ook dit eiland crossen we rond op een gehuurde scooter. We zouden hier eigenlijk alleen een korte tussenstop maken, maar telkens stellen we het vertrek uit. De enige reden dat we uiteindelijk toch gaan, is omdat we nog wat meer van Indonesië willen zien. Maar eigenlijk weten we dan al, veel beter dan dit wordt het waarschijnlijk niet…

Draken

Na wat research kiezen we zorgvuldig een ankerbaai uit in het Komodo National Park. Aangezien dit één van de toeristische trekpleisters is van Indonesië, bereiden we ons op het ergste voor. Maar als we om ons heen kijken, nadat het anker eindelijk pakt in het grove koraalzand, liggen we alleen in een indrukwekkende baai omringd met steile kliffen, enkele eilandjes en wat koraalriffen: Rinca eiland.

De volgende dag maak ik een tochtje door de baai. Om op verschillende plekken te snorkelen, maar ook, op zoek naar Komodovaranen. En die vind ik al snel op een strand verderop. Tussen een groep aapjes lopen loom twee heuse draken. En eenmaal terug op de boot, blijkt er ook één op dat strand te zitten. In de schaduw van een boom. We varen met de dinghy dichterbij, en voordat we er ook maar aan kunnen denken om één voet aan wal te zetten, komt hij op ons af. Dit zijn serieus gevaarlijke beesten, dus we blijven veilig in ons bootje zitten. Prachtig om zo te zien!

Sumbawa en Lombok

In dagtochten varen we verder naar het westen. De afstanden zijn hier niet zo groot. We genieten van het zicht op de vulkanische eilanden terwijl we met de gennaker proberen de vaart erin te houden in de lichte passaatwind. Tussen de eilanden, Sumbawa en Lombok, stroomt het flink.

Aan de westkant van Sumbawa doen we boodschappen op de markt van het vissersdorpje Labuhan Lalar. We vragen meerdere keren aan de verkoopster of het echt klopt dat we voor een tas vol groente en fruit slechts enkele euro’s kwijt zijn. Het is duidelijk dat dit eiland een stuk armer is. Na nog een heerlijke surfsessie in een prachtige baai steken we over naar Lombok. De baai van Gerupuk wordt druk bezocht door vooral veel beginnende surfers. Boten varen af en aan naar de enkele spots die er zijn. Ik stort mezelf ook letterlijk in de line-up van surfers en weet nog een paar lekkere golven te pakken in de chaos. Gelukkig zonder schade. Het contrast met Suwa kan niet groter, en het is mooi om te beseffen hoe vrij je bent om op bijzondere plekken te komen als je een eigen boot hebt.

Op vakantie

Het klinkt misschien gek, maar we zijn toe aan vakantie. Vier maanden lang zijn we vooral bezig geweest om zeilend mijlen te maken. Maar nu we aan een mooring bij Gili Asahan liggen, een prachtig bounty-eiland in een rustige baai, is het tijd om de boot even achter ons te laten. We nemen een taxi het binnenland en de bergen in. Op zoek naar verkoeling en een groene, in plaats van blauwe omgeving.

We ploffen neer op een ruim tweepersoonsbed. Als we door de deur en over de veranda van ons bamboehutje naar buiten kijken, zien we uitgestrekte rijstvelden. Daarachter rijst de vulkaan Rinjani op. Tetebatu wordt onze uitvalsbasis voor de komende dagen, een dorpje tegen de helling van vulkaan. Nu horen we bij de echte toeristen, en dat laten we ons smaken. We testen meerdere homestays, vele Warungs (restaurantjes), doen een kookcursus, kopen een prachtige sarong en gaan met zowel elektrische fiets als scooter door jungle en langs rijstvelden.

Beklimming van de Rinjani

En als onze zeebenen een beetje plaats hebben gemaakt voor landbenen, is het tijd voor de echte beproefing: de beklimming van de Rinjani. Vroeg in de ochtend klimmen we in de laadbak van de open vrachtwagen en leren we onze gids, mede-wandelaars en dragers kennen. Dragers, daar had ik eigenlijk niet echt bij stilgestaan. We doen een tocht met overnachting, maar ik ging er min of meer vanuit dat alle slaapspullen al wel boven zouden liggen. Maar zo werkt het hier niet. Drie man, leeftijd 22, 40, en 62(!) dragen tenten, slaapzakken en het eten voor vier toeristen, een gids en zichzelf. En dat gaat op de traditionele manier. Een lange stok op de schouder met aan weerszijden een mand met spullen. Ze lopen op slippers en roken aan één stuk door. En als ze voor de eerste lunch een uitgebreide Indonesische maaltijd vers(!) bereiden, voel ik me pas echt een verwende westerling.

Stap voor stap gaat het omhoog door het regenwoud. Af en toe hebben we een stuk open veld en zien we de rijstvelden beneden steeds kleiner worden. De rand van de krater lijkt maar niet dichterbij te komen. Onze gids Soe is eindeloos positief en vrolijk. Met “hati-hati kepala” (pas op je hoofd) en “no competition, it’s holiday” moedigt hij ons aan.

Na zeven uur lopen met voldoende pauzes komen we aan bij ons kampement. We hebben een waanzinnig uitzicht op de andere pieken van de kraterrand. De oceaan is ver beneden ons. Boven het wolkendek zien we ook de vulkanen van andere eilanden uitsteken. We krijgen weer veel te lekker eten. Als de zon ondergaat, genieten we van het schouwspel bij het kampvuur. Het koelt flink af, wat na maanden van hitte erg lekker is.

De wekker gaat om 3:30 uur. Het is nog donker als we weer verder klimmen. De tweede hoogste piek van Lombok, onze eindbestemming, is nog 900 meter boven ons. De spierpijn valt verassend genoeg nog mee. Vlak voor zonsopkomst staan we op de rand van een mega grote krater. 2400 meter boven ons startpunt, 3200 meter boven zeeniveau. In de diepte van de krater ligt een groot meer en ook nog een mini-vulkaan. Het uitzicht is adembenemend en de pijn in de benen snel vergeten.

Naar beneden gaat een stuk sneller. Maar is ook een stuk pijnlijker. Met brandende bovenbenen strompel ik het koude water in onder een hele mooie waterval, vlakbij het eindpunt. Voor de laatste nacht van onze vakantie hebben we een homestay geboekt die beschikt over een hottub met uitzicht over de rijstvelden. Desondanks zullen we nog lang van onze spierpijn kunnen genieten…

Gili Asahan

Gili Asahan is een klein eilandje in een uithoek van Lombok. Op het eiland liggen zes commerciële resorts. Maar het mooringveld, waar je je boot achter kunt laten, is vrij nieuw en is eigendom van het dorp zelf. Ardy, een enthousiaste jonge jongen, beheert de moorings en houdt het contact met alle bezoekende zeilers. Het is mooi om te zien hoe geld dat op deze manier wordt opgehaald, wordt gebruikt voor projecten in het dorp. Ardy laat ons die middag vol verwondering zien hoe andere zeilers hebben geholpen met het aanleggen van zonnepanelen. Hij heeft eindelijk licht in zijn nieuwe woning! En voor het opladen van alle telefoons van het dorp zijn ze nu niet meer volledig afhankelijk van dat ene stroomkabeltje dat uit de generator van één van de resorts komt.

Bij één van die resorts genieten we die avond van heerlijk Italiaans eten in een ruim verlicht restaurant. Italiaans ijs straalt je tegemoet in één van de vele ijskasten die ze hebben. Eén nachtje in een tweepersoonskamer in dit mooie kleinschalige resort kost zo’n 350 euro. Je krijgt daar een paradijselijke plek voor terug. Maar hoe gênant is het dat de mensen die daar 50 meter vandaan wonen, extreem gelukkig worden van het hebben van überhaupt een lampje om bij te lezen ’s avonds? Dat de wereld niet eerlijk is weten we na 5 jaar reizen inmiddels wel. Maar dat zelfs op een overzichtelijke plek als deze, de eigenaren van de resorts geen oog lijken te hebben voor de eerste levensbehoefte van hun buren, iets waar ze notabene zelf ook belang bij hebben, dat is gewoon wrang.

Bali

Het blijft moeilijk om een mooie plek als Gili Asahan en omgeving te verlaten. Maar na het schrobben van de onderkant van de boot, meerdere snorkelsessie bij het koraal en een gezellige avond op het strand met de andere zeilers in de baai, varen we naar Bali. Het stond niet in de planning, maar vanwege wat bureaucratische hobbels is dat voor ons nu de makkelijkste plek om uit te klaren.

De stroming tussen Lombok en Bali verrast ons. Het is een vrijwel windstille dag. Maar met 10 knopen worden we tegen de swell in geduwd die uit het zuiden komt. Door die harde stroming worden de golven stijl en beginnen de toppen al te breken. Dit is op het randje van gevaarlijk. Maar we kunnen niet tegen de stroom in terug. Hier moet je absoluut niet zijn met een nog hogere swell of harde wind. Gelukkig blijft de boot droog en overeind en in de middag varen we de kermis van Bali binnen. Mensen hangen in de lucht achter speedboten en scheren om ons heen in jetski’s. Het water in de splinternieuwe haven in aanbouw is het smerigste dat we ooit hebben gezien.

Het positieve van dit flitsbezoek is dat we nog even wat meekrijgen van de hindoe-cultuur, boodschappen kunnen doen in een grote westerse supermarkt en dat we heel goed geholpen worden door het personeel van de haven met uitklaren.

Voor we het weten zitten we weer op zee, de horizon tegemoet. Het oversteken van de Indische Oceaan is begonnen.

6 reacties

  1. Wat heb ik weer enorm genoten van jullie flessenpost en de foto’s. Dank jullie wel!!
    Veel plezier en een goede vaart.
    groeten Meike Spruitenburg

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *